De afgelopen maanden hebben we ons verdiept in IT in de zorg en voor het eerst in lange tijd bekruipt ons het gevoel dat er in deze sector daadwerkelijk meer wordt nagedacht over de eindgebruiker. Ja, ook de zorg kampt met typische IT-problematiek als fragmentatie, legacy, licentiëring en wat dies meer zij, maar het valt op dat hier veel meer wordt gekeken naar “wat heeft de zorgverlener of patiënt daadwerkelijk nodig” en minder wat er technisch bereikt kan worden. “Als het oude goed werkt, moet je bij het oude blijven”, vertelde een leverancier van digitale zorgoplossingen ons nuchter. 

Op een innovatiemiddag van ICT-adviesbureau M&I/Partners afgelopen september, dacht het bureau hardop na over hoe IT in de zorg er over vijf jaar uitziet. Het bureau onderzocht eerder dit jaar bij klanten, leveranciers en andere partijen, onder meer Philips Vital Health, Nedap Healthcare en PinkRoccade Care, waar innovaties met onder meer zorgdossiers heen bewegen en wat de positie van de cliënt, de eindgebruiker, daarin nu eigenlijk wordt. De resultaten daarvan werden eind september gepresenteerd. 

We spraken verschillende leveranciers op die bijeenkomst die een aantal trends benoemen die je nu veel ziet in de zorg: grotere inzet van apps, gebruik van (sociale) netwerken, bredere samenwerking van partijen en meer aandacht voor domotica. De grotere inzet van apps en hardware-toepassingen heeft voor- en nadelen, bijvoorbeeld het aan de ene kant behapbaar maken van registratie, maar aan de andere kant een groeiende diversiteit aan applicaties die vaak veranderen, met overlap en apps die naar de smaak van sommigen té iteratief zijn, met regelmatig functionele wijzigingen. 

Weg van administratieve rompslomp 

M&I/Partners pleit daarom voor automatisering die er specifiek op is gericht om de zorgverlener daadwerkelijk in staat te stellen zijn of haar primaire taak uit te voeren: zorg verlenen. Bekende zorgverlener Tommie Niessen sprak ter illustratie over een zorgorganisatie die vereiste dat verzorgers fijnmazige lijstjes afvinken met alle taken die verricht dienen te worden, tot op microniveau: het klaarleggen van een vaatdoek of de juiste tijd instellen bij de klok. “Dat moeten we maar niet meer doen”, zegt hij. 

Maria van Schaik, senior adviseur van het bureau, verhaalt op de informatiemiddag over haar eerdere werk als verpleegkundige en hoeveel tijd hulpverleners kwijt zijn met het invoeren van gegevens. De zorgverlener staat vaak in dienst van het dossier, terwijl het dossier in dienst moet staan van de zorgverlener. “We willen toe naar een systeem waarbij de medewerker daadwerkelijk wordt ondersteund met een dossier: wat zijn de specifieke risico’s en wat is relevante informatie? Als je die gegevens kunt aanbieden, gaat het in plaats van om ‘informatie registreren’ om ‘informatie controleren’”, aldus Van Schaik. 

Die wens om registratie te vergemakkelijken zie je op verschillende plekken terug. Op de leveranciersmarkt op dezelfde bijeenkomst staat bijvoorbeeld PinkRoccade Care, die het zorgverleners makkelijker wil maken om direct informatie in te voeren via een spraakinterface. Als voorbeeld halen de PinkRoccade-medewerkers scenario aan waarbij een zorgverlener het registratieproces aan het eind van een hectische dag doorloopt om gegevens bij te werken, maar dan wellicht fouten maakt omdat twee gevallen eerder op de dag worden verward. Door de drempel van zulke invoer te verlagen met een simpelere interface, moet het makkelijker worden om on the go gegevens in te voeren. 

Of neem de chatbot Anne, waar PinkRoccade ook naar verwijst. We spraken leverancier Adapcare die een app ontwikkelt waarbij artsen en verzorgers eenvoudig moeten zien wat belangrijk is. Er is een interactieve agenda waarin de laatste rapportages van verschillende zorgverleners in wordt verwerkt en dus ook chatbot Anne om het makkelijker te maken voor de eindgebruiker om de app in te zetten. 

Controle over data 

De ontwikkeling raast verder, maar er zijn nog steeds belangrijke vragen over de eigenaarschap van gegevens. Patiënten willen in de regel zelf de controle kunnen hebben over hun medische data. Zo krijgen bijvoorbeeld mensen met een chronische aandoening, die te maken krijgen met een breed scala aan behandelaars en organisaties, de controle over hun dossier zodat ze op het juiste moment de juiste gegevens met de juiste personen kunnen delen. 

Er zijn inmiddels een heleboel voor de gezondheidszorg specifieke standaarden en platforms om gegevens te delen, maar er is ook steeds meer aandacht gekomen voor logging en autorisatie voor toegang tot gegevens. Het zou niet meer mogelijk moeten zijn dat iedereen in dergelijke gevoelige databases kan grasduinen en dat niet wordt geregistreerd wie en wanneer dat doen, maar toch gebeurt het, zo blijkt wel uit een berucht incident van het Haga-ziekenhuis. Ook verschuift de lijn van wie toegang krijgt tot welke gegevens, zo leerden we enige tijd geleden bij een bespreking van Holla Advocaten over de juridische gevolgen van het delen van medische gegevens. 

Er wordt gedacht aan oplossingen zoals het opdelen van medische dossiers in overzichten die direct relevant zijn voor de behandelaar, een administratief dossier en een patiëntendossier, maar we zijn nog niet waar we eigenlijk heen willen met een juiste balans tussen toegevoegde waarde en privacy. Een mogelijke uitkomst voor het zorgvuldiger uitwisselen van medische data is het gebruik van persoonlijke gezondheidsomgevingen (PGO’s), wat neerkomt op een patiëntspecifieke site of app met de gegevens, waar de patiënt de regie over heeft en op gewenste momenten kan delen met zorginstellingen.   

Oog op domotica 

IT in de zorg is dus aardig volwassen en nuchterder geworden. Gebieden waar op dit moment veel aandacht voor is zijn klantportalen en domotica, zijn ook de bevindingen van het adviesbureau. Daarbij is samenwerking essentieel, want zorginstellingen hebben de tijd niet om het wiel steeds opnieuw uit te vinden en dan vervolgens met een tiental disparate oplossingen te komen. 

“Zorgrobots, wearables en sensoren worden nog relatief weinig toegepast hoewel volwassenheid en nut niet veel lager ingeschat worden dan bij cliëntportalen”, zo schrijft M&I/Partners in What’s Beyond Het ECD? Dat is interessant: in de zorg worden wearables nuttiger ingeschat dan in het behandelingstraject, waar artsen en assistenten uit moet kunnen gaan van stabiele en betrouwbare gezondheidsdata - en daar zijn we nog niet. In de zorg draait het meer om slimme sensoren, zoals dwaal- of valdetectie; niet zozeer om medische gegevens van bijvoorbeeld wearables die voor het sporten worden gebruikt. 

Met de opkomst van wearables, smart homes en andere slimmere sensoren kom je op dat snijpunt tussen wat technisch mogelijk is en wat daadwerkelijk een toegevoegde waarde heeft voor behandelaar of patiënt. In het rapport staan dan ook te lezen: “De dialoog tussen zorgverleners en cliënten verandert. Het belangrijkste is de balans te blijven zoeken tussen het beste van de technologie en het beste van de mens, en die op elkaar af te stemmen.”